Zondag 14 mei 1995.
04u45, de wekker loopt af. Eindelijk is het zover. Karine springt als eerste het bed uit, langzaam volg ik haar. Als ik de badkamer binnenkom, is zij reeds klaar met douchen en vraagt ze me of het ontbijt uit fruit mag bestaan. Al 4 jaar lang eten we bijna elke ochtend fruit. We voelen ons er goed bij. Nog slaperig antwoord ik kort: ”ja, ok”. Even later ontbijten we samen, 3 geperste appelsienen, een kiwi, twee appels, enkele aardbeien en een banaan. Tijdens het eten vraagt Karine me of de zenuwen van de laatste dagen wat zijn afgenomen. Ik voel me goed, maar zie wel op tegen het lange onderweg zijn naar Singapore en verder naar Darwin.
Eerst nog een verplaatsing met de auto van 3 uur tot Amsterdam, vrienden oppikken inbegrepen, verder een korte vlucht van negentig minuten tot Zürich, om vandaar te vertrekken naar Singapore voor een twaalf uur en vijfenveertig minuten durende vlucht. Te Singapore verblijven we twaalf uur en zullen we een korte blik op de stad werpen. Verder nog een vier uur durende vlucht tot Darwin. We zullen dinsdagochtend aankomen te Darwin om twee uur plaatselijke tijd.
Van hieruit vertrekt de langste moutainbike race ter wereld, “The Crocodile Trophy”, tweeduizend vijfhonderd kilometer over een licht golvend, overwegend zanderig parcours, door rivieren, langs uitgestrekte vlakten en bossen.
Het tijdsverschil met Brussel is 7 u 30 minuten. De totale tijd, alle vluchten, wachttijden inbegrepen, is goed voor 36 uren onderweg.
Maandag 15 mei 1995.
Ondertussen bevinden we ons in Singapore en het valt me direct op dat alles tot in de kleinste details mooi verzorgd en CLEAN is. Overtredingen, zoals een papiertje op straat werpen, worden hier streng bestraft. Wij kunnen als Belgen, of misschien wel als Europeanen, er een groot voorbeeld aan nemen. Zo vertelt de dame dewelke ons met de taxi naar Hard Rock Café voert, dat bij overtredingen niet enkel boetes uitgeschreven worden, maar dat de persoon die de overtreding begaat, zelf één of meerdere dagen de straat mag gaan vegen…
Het is natuurlijk niet mogelijk om in 12 uur Singapore te ontdekken. We brengen een bezoek aan de haven, Singapore River, China Town, de voornaamste druk bezochte winkelstraten met hun grote shopping centers en gaan ‘s middags lunchen in Hard Rock Café. De temperatuur schommelt rond de 32 graden, maar het is de hoge vochtigheidsgraad, tot 95 %, die het ons ondraaglijk maakt. Singapore ligt dicht bij de evenaar, vandaar. Singapore is een stad met grote contrasten wat de bouwstijl betreft. Zo staan er kleine, bijna vervallen krotten, naast torenhoge moderne gebouwen. Ondanks de vele buildings krijgen we geen ingesloten gevoel. Brede lanen met mooie tropische bomen en talrijke kleine parken zorgen voor een perfecte harmonie tussen groen en beton. Men beplant hier elke mogelijke vierkante meter. De autosnelweg van de luchthaven naar de stad wekt de indruk dat hij in een tropisch park is aangelegd. Deze korte uitstap maken we met z’n vieren; Eddy, ook wel Fred genoemd, zijn vrouw Marij, haar broer Jan en ikzelf. Jan, 23 jaar, de jongste onder ons, stelt voor om na onze wandeling terug te keren naar Hard Rock Café. Je kan er iets drinken, eten en ‘s avonds, dansen. Dit laatste kan echter niet voor ons, want ons vertrek naar Darwin is om 20u20.
Eens op het vliegtuig dat ons naar Darwin brengt, is bijna iedereen uitgeblust, behalve enkelen, Paul en Daniel. In plaats van de korte Singapore trip verkozen zij om in het luchthaven hotel te gaan slapen waar men per zes uren een kamer kan huren.
Eenmaal in het vliegtuig naar Darwin verdwijnt de goede sfeer die er tot nu toe heerste. Met veel rumoer komen de Oostenrijkers – deze keer geen troep Nederlanders – hun plaatsen innemen. Het lijkt wel of het hun vliegtuig is en ze hebben weinig respect voor de anderen. Wanneer het vliegtuig opstijgt, vermindert het lawaai en proberen de meesten te slapen.
Dinsdag 16 mei 1995.
Eindelijk, om 2 uur plaatselijke tijd, landen we te Darwin. We begeven ons naar de ruimte waar onze bagage aankomt om dan zo vlug mogelijk naar ons hotel te kunnen vertrekken. Maar ja, na goed 36 uren onderweg zonder slapen, mag ik mijn fietskoffer openen voor controle. Protest van mijn kant heeft geen zin, ook al zeg ik dat er enkel en alleen een fiets met toebehoren in zit en het me veel tijd kostte om hem degelijk en met veel kleefband in te pakken. De plaatselijke agent neemt alle tijd waardoor ik als laatste omstreeks 4 uur in het hotel aankom.
Nog straffer, Danny Debie heeft een fietsband met een beetje Belgische aarde eraan. Hij krijgt water en borstel en mag deze ter plaatsen mooi schrobben.
Om 5 uur plaatselijke tijd, na het inchecken in het hotel kan ik de ogen sluiten.
Wakker om 11 uur 30, snel een douche en ontbijt. Daarna monteren we onze fietsen. Even voorstellen. Het appartement bestaat uit een living met keukentje, twee slaapkamers voor elk 2 personen en een mooie badkamer. De eerste kamer wordt gedeeld door Daniel en Johan. Johan Pauwels is zaakvoerder van een restaurant in Brussel en na de race zullen we er met z’n allen gaan eten. Daniel De Neve, sportdokter uit Eeklo. Paul en ik delen de tweede kamer. Paul Van Den Meuter, een vleeshandelaar, net als ik uit Keerbergen, met wie ik op zondag meestal ging fietsen. Als voorbereiding voor deze race trainden we samen 3.000 kilometer. Elk van ons had voor de start ongeveer 6000 kilometers in de benen. Wegens het aanhoudende slechte weer in België tijdens mijn voorbereiding ben ik voor twee weken naar het eiland Mallorca gereisd om aldaar 1850 kilometer te fietsen. Kilometers malen was de boodschap. Dit was voor mij de ideale training. Na Mallorca was het nog goed vier weken tot de start te Darwin.
Inmiddels hebben enkelen al een bijnaam gekregen;
Paul, “DE PUNCTUELE“. Bij het afplakken van zijn fiets met doorschijnend plastiek folie vraagt hij ofdat iemand een speldje bij heeft om een “naar zijn normen” storend luchtbelletje van 2 millimeter te verwijderen. ”Ja Paul”, hebben we bijna allen tegelijk geantwoord “want het ziet er zeer slordig uit”. Het moet gezegd, Paul behandelt zijn fiets steeds met de meest zorg, maar dit vonden we toch ietwat overdreven.
Daniel, ook wel “PA“ of “DOC“ genoemd, krijgt voortdurend vragen zoals “wat eten we?”, “wat moet nu?” of ”is dit goed?”. Daniel geeft steeds een zeer uitgebreid en gefundeerd antwoord. Het is ons duidelijk dat Daniel 100% voor zijn beroep leeft, zo heeft hij zich verdiept in het belang van de juiste voeding bij het sporten. Eveneens wat het afstellen van zijn fiets betreft. Uren kan hij eraan prutsen, sorry, zeg ik dat verkeerd. Kortom, hij houdt ons in ’t oog bij het eten (pilletje? hola, geen doping!), tot zelfs bij het afstellen van onze fietsen.
Rond vier uur in de namiddag vertrekken we met de fiets om alles even uit te testen. Bij het afstellen van mijn fietszadel breekt een schroef af. Ik heb alle schroefjes in reserve behalve deze natuurlijk, pech, maar beter nu dan tijdens de race. Vlug naar de fietsenwinkel, alles wordt hersteld maar wel niet met de originele stukken. Eindelijk kunnen we vertrekken voor een testrit van 25 kilometer.
‘s Avonds hebben we een gezamenlijke barbecue vlak voor het hotel. De sfeer onder de groep Belgische deelnemers is optimaal en iedereen luistert naar de boeiende verhalen van enkele beter bekenden, Danny en Rudi De Bie. Wij stellen hen allerlei vragen, vooral uiteraard over fietsen en wat ons de komende dagen te wachten staat. Het zijn twee open karakters die ook altijd klaar staan om een grapje uit te halen. Zij geven allerlei tips. Danny De Bie stelt die avond voor om ‘s anderendaags een gezamenlijke fietstocht met alle Belgen te maken. Gretig gaan we hierop in.
Woensdag 17 mei 1995.
Om 7 uur ‘s morgens staat iedereen gelijktijdig op. Er wordt vlug gedoucht zodat er vroeg kan gegeten worden want om 9u30 vertrekken we voor een fietstocht van ongeveer 60 kilometer. Buiten twee prikken, versnellingen, juist voor een heuvel, wordt er zeer rustig in groep gefietst. Geregeld wordt er gestopt wanneer vogels, vooral kaketoes, ons in groep voorbijvliegen. Met de fiets is het aangenaam om een blik te werpen op Darwin en zijn omgeving. Darwin, vertrekplaats voor vele toeristen die de verschillende nationale parken bezoeken. Een van de bekendste, mede door de film “Crocodile Dundee”, is het Kakadu national park, hetwelk we binnen enkele dagen tijdens de race en per fiets zullen doorkruisen.
Rond 13u30 nemen we een korte lunch en in de namiddag is er een persmeeting. Harald Maier met vriendin, ook fietsend, Danny en Rudi, Daniel, Paul en ik worden gevraagd om samen een fietstocht te maken voor opnames gemaakt door het nationale T.V. station ABC, een Australische BRTN. ‘s Avonds worden de laatste details besproken voor morgen.
Rit 1: Donderdag 18 mei 1995, Darwin – Cooinda, 125 km.
Na een plaatselijke ronde te Darwin van 5 kilometer vertrekken we met de ganse karavaan voor een transfer van 112 kilometer naar Barkhut, waar we officieel van start gaan. Deze verplaatsing word gemaakt met mobilhomes, hier bushcampers genoemd, en grote 4X4 bussen. De totale groep bestaat uit 56 renners, een tiental helpers en twintig medereizigers. Voor de hele groep is er één dokter, één kinesist en één fietsenmaker. Dit was wel anders beloofd, maar later zal blijken dat dit niet de enige gebreken waren. Eindelijk staan we vertrekkensklaar, de zenuwen sterk gespannen, de race kan beginnen, ik realiseer me plots dat ik als fietstoerist tussen profs en zelfs naast een wereldkampioen sta…de melding; “nog één minuut“, en ja, we zijn vertrokken. Dadelijk zet ik mijn Polar, hartslagmeter, in werking. Na amper 500 meter lees ik een hartslag van 130 slagen per minuut af. Dit is de bevestiging van mijn zenuwachtigheid. De eerste 20 kilometer wordt in groep over asfalt gereden met een tempo van 30 kilometer per uur. Niet echt snel. Ik merk dat mijn polsslag vermindert. Als we rechtsaf draaien, het rode grind op, begint het zware werk en gaan de betere renners aan kop sleuren. Het tempo ligt zo hoog dat de groep direct in een lang lint uiteenvalt. Het parcours is golvend en telkens na een diepte, bij het doorsteken van een riviertje, wordt er versneld. Ik blijf zolang mogelijk aanklampen, maar na 95 kilometer, wanneer er nog een twintigtal renners vooraan fietsen, moet ik afhaken. De krampen laten zich al goed voelen en ik had me nog zo voorgenomen het de eerste dagen kalmpjes aan te doen en zeker niet boven een hartslag van 155 te gaan. De eerste 95 kilometer ben ik niet onder de 170 slagen per minuut gegaan, eigenlijk niet erg slim, maar ja wat wil je, meegaan met de besten geeft je wel een kick. Uiteindelijk zal ik als vierentwintigste de finish bereiken, 37 minuten na winnaar, Danny De Bie. Harald Maier wordt tweede en Rudi derde. In deze eerste rit zijn er tientallen renners gevallen doordat ze in het mulle zand bleven steken of over kop gingen in de vele kleine doorsteken van rivieren, waarin verborgen putten of onzichtbare rotsblokken verspreid liggen. Het is een zeer mooie rit met veel afwisseling. We moeten dan ook verscheidene malen van de fiets.
De rivieren die we doorkruisen, zijn van verschillende grootten en diepten en soms wel met krokodillen. Er staan borden met de vermelding; “DON’T RISK YOUR LIFE, CROCODILES”, maar daar heeft de organisator geen oog voor gehad. ‘s Avonds bij het eten zit ik aan tafel met een plaatselijke gids. Hij verklaart ons voor gek, niet alleen voor het fietsen bij zulke hitte, maar vooral om het doorkruisen per fiets van de rivieren. Hijzelf doet dit enkel met zijn 4X4 truck. Iedereen is uitgeput en gaat vroeg naar bed. Wij vieren, Paul, Johan, Daniel en ik, kunnen dit niet. We zijn nog niet gewend aan de 7u30 tijdsverschil met België. Pas om 1 uur in de ochtend gaat het licht uit.
Rit 2: Vrijdag 19 mei 1995, Cooinda – Pine Creek, 168 km.
Wegens organisatorische problemen stelde Phil Corley, een Engelsman , voor om niet te starten zolang niet alles in orde gebracht was. Vele renners, waaronder ikzelf, hadden gisteren geen eten en drank onderweg gekregen. Onder een brandende zon met temperaturen van om en bij de 35 graden kan dit zo niet verder. Nadat ik ‘s avonds mijn fiets gereinigd had begaf ik me richting eetplaats. Er was niets meer, en voor hen die geluk hadden, bestond het eten enkel uit een schotel spaghetti met tomatensaus.
Uiteindelijk is iedereen met een uur vertraging gestart ,nadat er beloofd werd dat vanaf heden alles voldoende aanwezig zou zijn. Dit zowel tijdens als na de race!
De betere renners gaan direct zeer snel van start. Na ongeveer 20 kilometer wordt er aangevallen door Galli Daniel, een Zwitser, die de ganse rit alleen rijdt en tot 16 minuten kan uitlopen op een eerste groep met alle voornaamsten, waaronder Rudi en Danny Debie. Tot op de finish zal hij deze voorsprong behouden.

We rijden door een licht golvende streek begroeid met eucalyptussen, waarvan het rare is dat zij vuur nodig hebben om te kunnen gedijen. De weinige mensen die ons met de auto voorbijrijden, kijken ons aan alsof we wel gekken zijn maar wuiven gretig een goedendag. Deze etappe wordt grotendeels over asfalt gereden. We hebben nog geen krokodillen gezien maar wel vele kaketoes en kangoeroes. Tot kilometer 130 zitten Paul en ik nog fris. We beslisten vandaag niet met de beteren mee te fietsen. Na een dag als gisteren vinden we het geraadzaam vandaag op eigen tempo te rijden. We halen desondanks nog een gemiddelde van 27 kilometer per uur. Enkel de laatste 30 km van deze etappe zijn lastig. Het asfalt smelt weg onder onze banden en waarschijnlijk door de hitte krijgen we last aan ons zitvlak. Gelukkig is de bevoorrading vandaag uitstekend en nemen we om de vijf minuten een slok water. De laatste kilometers worden we wat aangemoedigd en gaan we afwisselend aan kop rijden, waardoor de kilometers korter lijken. Na 6u17 minuten bereiken we hand in hand de finish. Dag twee zit erop, al 303 km.
‘s Avonds is er een gezellige barbecue, gekruid met sterke verhalen van onderweg. We gaan voldaan maar moe iets vroeger naar bed.
Toch nog even dit, ‘s avonds lees ik in een plaatselijke krant een artikel over onze race en zie ik een foto van mezelf op de derde pagina staan.
Rit 3: Zaterdag 20 mei 1995, Pine Creek – Ban Ban Station, 83 km.
Eerst nog even de briefing door de organisator, Gerhard Schönbacher, dan vertrekken we voor een afstand van 83 kilometer naar Ban Ban Station. De eerste 5 kilometer worden rustig gereden, maar zodra we het grind opdraaien gaat het tempo de hoogte in. Net als in de eerste rit valt de groep uiteen en vormt zich een lang lint. Ik blijf een tiental kilometers aanklampen, maar voel al vlug dat dit boven mijn kunnen is en neem wat gas terug. We doorkruisen een prachtige natuur, licht golvend, af en toe een beekje, zonder krokodillen bordjes, al vlug vind ik het goede ritme. Wat verder krijg ik het gezelschap van twee dames die ik op sleeptouw neem. Met z’n drieën rijden we ongeveer 60 kilometer en krijgen dan het gezelschap van Greg, een Canadees en Paul. Mag, uit Zuid-Australie en Brigitte, een Oostenrijkse, moeten afhaken als we het asfalt opdraaien en het tempo verhogen. Bij het nemen van hellingen zag ik dat Mag veel makkelijker klimt, ook de vele tempoversnellingen beter en sneller aankan. Mag is slanker, gewoon aan deze hitte en heeft het thuisvoordeel.

Ongeveer 27 minuten na de winnaar, Moderbacher Thomas, rijden we over de eindmeet. Van ons drieën wint Paul de sprint, ik word tweede en Greg derde. Gemiddelde snelheid: 28,5 km/u.
Vermits er te weinig tenten en bushcampers voor het slapen zijn, beslissen we om 30 kilometer terug te rijden. Zolang de mogelijkheid bestaat te overnachten in hotels, zullen we dit doen. Eigenlijk zijn deze hotels benzinestations met een shopping, restaurant en enkele kamers. ’s Avonds kloppen we nog even aan bij dokter Daniel De Neve om de nodige zalven voor onze kwaaltjes.
Afstand tot heden 383km.
Rit 4: Zondag 21 mei 1995, Ban Ban Station – Katherine, 186 km.
We vertrekken om 7 uur in de ochtend voor één van de langere ritten over een zeer heuvelachtig parcours. De eerste 10 kilometer rijden we op grind en tussen de koeien. De helikopter van de organisatie scheert een tiental keren over onze hoofden om beelden te schieten voor de plaatselijke televisie. Deze 10 kilometers lopen over zeer slecht terrein. Scherpe keien, diepe putten en grachten zorgden ervoor dat velen lek reden. Zodra we het asfalt opreden kregen we tot aan de finish de wind op kop. Hierdoor werd er vooraan trager gereden en kon ik aanklampen tot 25 kilometer van het einde.
Nadat twee renners weg geraken komt de ene aanval na de andere. Deze uitvallen gebeuren meestal bij het bergop fietsen. Ik heb dan wel wat kilometers getraind om deze race uit te fietsen, maar een wedstrijd met steeds tempo wisselingen zijn vreemd voor mij. Door de strakke wind op kop beslis ik om toch zolang mogelijk aan te klampen.
Voor de finish kregen we nog een spectaculaire afdaling voorgeschoteld van zowat één kilometer. Daarna lopend en zwemmend Katherine River door met de fiets boven het hoofd en nog 50 meter klimmen in het mulle zand tot de streep.
Deze rit lag me uitstekend en ik eindig tweeëntwintigste op amper 12 minuten van de winnaar, Tanzen Brent. Na de race drink ik wegens gebrek aan beter, 1,5 liter coca cola, en ga dadelijk op zoek naar een hotel. Al 569 km.
Maandag 22 mei 1995, rustdag wegens gebrek aan eten.
Rustdag wegens gebrek aan eten. Eigenlijk niet te geloven als je weet dat ieder van ons 139.000,- BEF neertelde om te kunnen deelnemen aan deze race. Iedereen is dan ook sterk ontgoocheld, maar tegelijkertijd een beetje blij met deze extra rustdag. Gelukkig zitten we nog in het bewoonde gedeelte van Australie en kunnen we eten in een klein restaurant. Alle hotels en restaurants die we bezoeken bezorgen ons wel extra uitgaven. Na een briefing door de organisator vertrekken alle Belgen naar Mataranka, vanwaar morgen de vijfde rit zal vertrekken. Wanneer we in het hotel te Mataranka aankomen, vraagt de eigenaar wie er graag naar het voederen van Baramundi vis wil komen kijken. Iedereen bevestigt en tien minuten later zijn we op de afspraak. De eigenaar doet zijn schoenen uit en gaat in het water op een ijzeren rooster staan. Hij is nog maar juist in het water of de baramundi vissen komen al bedelen om een hapje. Het eigenaardige van deze 60 tot 100 cm grote vis, is dat hij uit het water naar zijn hapje springt zoals een getrainde dolfijn. Hij opent zijn bek zodanig dat de hele hand van de eigenaar erin verdwijnt. We mogen dit ook een keer proberen en met resultaat. De vis springt naar ons toe met open bek. Het omsluiten van zijn bek rond onze handen voelt als zand aan. In de namiddag bezoeken we een warmwaterbron met een constante temperatuur van 34 graden Celsius. Deze bron bevindt zich in een tropisch woud waarin duizenden vleermuizen nestelen. Het is grappig deze dieren ondersteboven aan takken te zien hangen, maar het ruikt er wel niet zo lekker. Enkele jaren terug heeft men getracht deze dieren te verdrijven door het gebied in brand te steken. Je kan er de sporen nog van zien, maar het resultaat is uitgebleven want de vleermuis is er nog steeds van de partij. Ter plaatse boek ik een dubbeldekker om de streek vanuit de lucht te verkennen. Het vliegtuig dateert van1946 en trilt bijna uit elkaar, maar het is de snelste manier om een mooie blik te werpen over het zeer uitgestrekte landschap. Vanuit het vliegtuig zie ik vierkante kilometers vlakten bezaaid met eucalyptussen met daartussen hier en daar mooie palmen. Ook merk ik enkele branden op, waarvan sommige aangestoken zijn om grotere branden te voorkomen.

‘s Avonds eten alle Belgen samen in het hotel dat een gezellig terras heeft. Er wordt door de eigenaar op aanvraag van ons speciaal spaghetti geserveerd bij het eten. Het is een feestelijke maaltijd met dessert en een goed glas Australische wijn. Van deze laatste natuurlijk niet te veel. Als hoofdschotel kiezen we voor de specialiteit van de streek. Gegrilde Baramundi vis, doch niet de lievelingen uit de vijver van de eigenaar. Na het eten praten we met enkele mensen van de streek over de race en tonen hen onze te volgen route. Zij staan allen in bewondering, doch hebben wel wat opmerkingen over wat ons nog te wachten staat.
Rit 5: Dinsdag 23 mei 1995, Katherine – Urapunga Station, 139 km.
Deze rit van aanvankelijk 139 kilometer wordt ingekort. Vanaf de start gaat het peloton er sterk tegenaan. Onze dokter, Daniel ,had gepland vandaag in de aanval te gaan en dat doet hij ook. De groep laat hem betijen en hij kan een voorsprong van acht minuten opbouwen. Paul en ik zullen hem hierbij helpen door telkens te counteren wanneer er door andere, niet Belgen, aangevallen wordt. Paul, op zijn beurt, kan mee springen met twee renners, maar moet snel afhaken wanneer ze afwisselend aanvallen. Zij willen niet dat hij in hun wiel mee naar de finish kan gaan. Paul zal die dag als achtentwintigste eindigen op goed dertig minuten. Na de wedstrijd vertelt hij onderweg weer veel last te hebben gehad van zijn zitvlak. Het counter werk kost veel kracht en wanneer de betere renners om beurten proberen weg te geraken, is het mijn beurt om te lossen. Toch voel ik me tevreden. Eén keer heb ik het gat kunnen dichtrijden voor Rudi De Bie, die me er ‘s avonds voor bedankt. Hij zal die dag de wedstrijd op zijn naam schrijven. Na zowat tachtig kilometer als we op het grind komen, passeer ik vele renners waaronder Paul en ook Daniel, onze dokter. Hij heeft tachtig kilometer helemaal alleen tegen de strakke wind ingereden. Ik vertraag mijn tempo zodat Daniel in mijn wiel wat kan uitrusten. Na verloop van tijd zullen we tot een groepje van tien renners komen.

De overige kilometers fiets ik bijna steeds op kop en tweehonderd meter voor de finish word ik sterk aangemoedigd door Danny De Bie. Alles uit mijn lichaam persend win ik de sprint op goed dertien minuten van winnaar Rudi. Vandaag behaal ik een negentiende plaats. Als ik van mijn fiets stap, trillen mijn benen, maar vijf minuten later en na wat frisdrank ben ik terug de oude. Hopelijk ben ik niet overmoedig geweest. Met wel een beetje schrik voor morgen, kruip ik voldaan in bed.
Scheren en schrijven tracht ik dagelijks te doen, het geeft me het gevoel dat ik nog fris zit. Totaal reeds afgelegd: 708 km.
Rit 6: Woensdag 24 mei 1995, Urapunga Station – Nathan River Station, 207 km.
Omstreeks 8 uur in de ochtend vertrekken we in groep voor een geneutraliseerd stuk van 15 kilometer. Er wordt kalm gereden, ongeveer 23 kilometer per uur, doch voor velen en ook voor mezelf wordt dit het gemiddelde van de dag. In het geneutraliseerde deel moeten we door enkele rivieren, iedereen neemt er rustig zijn tijd voor en stapt hiervoor van de fiets. Vandaag loopt de route door een heuvelachtig gebied en uitsluitend over grindwegen. Het zal tot op heden de zwaarste dag worden, de weg ligt kilometers ver bezaaid met “HUBBELS”. Dit zijn bulten van vijf tot vijftien centimeter hoog die twintig centimeter uit elkaar liggen. Ze worden gevormd tijdens het remmen van roadtrains en strekken zich uit over soms wel tweehonderd meter.
Als je er met de fiets over sjokt, schok je ongenadig door elkaar. In het begint is dit geen probleem, maar naargelang de dag vordert wordt het steeds moeilijker om deze op te vangen. Deze dag is eigenlijk niet te omschrijven, het wordt een aftakeling voor fiets en mens. De natuur is mooi, wel wat eentonig, maar vandaag heb ik er weinig oog voor. We rijden tevens vele kilometers over losliggende stenen en het is uitkijken om recht te blijven. Ook moeten we geregeld uitwijken voor slangen die over de weg kruipen. Merendeels zijn het zwarte slangen met een lengte van één tot twee meter. Sommige zijn giftig, maar daar proberen we niet aan te denken. De kwaaltjes op onze zitvlakken worden ernstiger, waardoor we ons lichaamsgewicht meer naar voren verleggen, maar dat gaat dan ten koste van armen en handen. Het is 17u50, volop zonsondergang, wanneer Paul en ik de aankomst bereiken en dit 1u06 na de rit winnaar, Pritel Max. Ik ben totaal uitgeput, mijn handen en armen zijn sterk gezwollen en ik zit volledig onder het rode zand. Tijdens de rit dacht ik meermaals aan stoppen, doch sterkte me met de gedachte dat er nog renners achter me waren die waarschijnlijk nog erger afzagen. Vandaag geven vele renners er de brui aan, enkele moedige doorzetters fietsen laat in het donker over de finish. ‘s Avonds kan ik bijna niet eten en ga vroeg naar bed. Wanneer ik me ‘s nachts omdraai, doet alles pijn. Hopelijk ben ik morgen een beetje hersteld.
27ste in de race na 6 dagen, nog 36 renners in koers en 915 km in de benen.
Rit 7: Donderdag 25 mei 1995, Nathan River Station – Borroloola, 185 km.
5 uur in de ochtend, één van de organisatoren geeft een fluitsignaal om ons te wekken. Ja, het zijn steeds korte nachten en er wordt twee uur voor de start gegeten. We vertrekken om 7u05. Vijf kilometer na de start maak ik een ongelukkige val. Johan raakte vast in het losse zand waardoor hij viel. Ik kon hem niet meer ontwijken omdat ik dicht op zijn wiel reed. Ik viel natuurlijk juist op de knie waaraan ik enkele jaren terug geopereerd werd. Moeizaam kom ik recht en zet de achtervolging in. Wanneer ik de eerst afgevallen inhaal, voel ik reeds dat het vandaag terug afzien zal worden. De eerste honderddertig kilometer zijn heuvelachtig, verder krijgen we 25 vlakke kilometers en de laatste 30 km gaan gelukkig over asfalt. De rit is weer zo afmattend dat ik nog amper een gemiddelde van 21km/u haal. Kilometers lang moeten we terug over hubbels, het maakt de rit eens zo zwaar. Nog steeds ben ik erbij maar het gaat wel bergaf. Het zijn niet mijn benen, maar mijn armen en handen, zij verdragen niets meer, ze zijn gezwollen en zitten vol water. Ik hoor het jullie al denken, “fietsen doe je toch met de benen”. Als straks de weg vlakker wordt en overgaat op het asfalt zal ik er waarschijnlijk weer bovenop komen. In gedachten hou ik de rustdag van binnen twee dagen voor ogen. Nog even doorbijten, afzien en mogelijk nog dieper gaan. Hoe diep ? … Ja, dat weet ik niet. Door de hitte, korte stevige korte hellingen en de lengte van de ritten is de man met de hamer nooit ver af. De temperaturen lopen op tot 40 graden Celsius.
Vandaag fietsen we over de kaap van de duizend kilometer, reeds afgelegd; 1.100 km.
Rudi De Bie en Harald Maier rijden als winnaars van de dag gelijk over de streep. Broer Danny wint de sprint van het eerst volgend groepje op 18 minuten.
Rit 8: Vrijdag 26 mei 1995, Borroloola – Hell’s Gate Roadhouse, 103 km.
Vermits we nog een dag moeten inhalen, wordt er beslist twee ritten samen te voegen. Goed voor een afstand van 224 kilometer, 168 km + 56 km. De transfer van 98 kilometer wordt een stuk langer gemaakt en we rijden met de bushcampers en andere volgwagens tot twaalf uur. Bij de officiële start is iedereen blij als we vernemen dat er vandaag maar 103 km gefietst moet worden. Het is natuurlijk wel al middag als we onder verzengende zonnestralen de fiets op gaan. De geplande 224 kilometer zou dan nog onmogelijk te fietsen zijn.
Vanaf het startsignaal gaat de groep er met een stevig tempo tegenaan. Ik voel me een stuk beter en kan tot tachtig kilometer met de besten mee. Dan voel ik krampen in de benen en beslis af te haken. Denkend aan de vorige dagen besluit ik me te sparen en vanavond, bij de finish, zijn we tenslotte nog maar halfweg. Phil, die gisteren samen met Paul, Greg en ik reed, komt ten val. Een gebroken beentje aan de heup verplicht hem de wedstrijd te staken. Phil was de eerste dag al eens zwaar ten val gekomen. Hij had het de afgelopen dagen dan ook zeer lastig met het amortiseren van de hubbels en vertoonde daardoor tekenen van vermoeidheid. De weg lag bezaaid met stenen en keien van alle soorten en grootten en het was uitkijken om niet lek te rijden. Als het snel gaat, rijden we eigenlijk steeds onder stress. Onderweg krijgen we het gezelschap van vier wilde paarden. Ze volgen ons enkele honderden meters en steken dan voor onze wielen de weg over, prachtig, paarden in volle galop! Eerst is het nog vrij heuvelachtig maar naargelang we de kust naderen, wordt de route vlakker. In de zomer, voor ons winter, staat alles hier onder water, maar nu is het er droog en nog fris groen. Waarschijnlijk zal het hier binnen een maand zeer dor zijn. Met mij gaat alles weer beter en ik eindig als vierentwintigste op dertien minuten van de eerste.

‘s Avonds slaap ik voor de tweede maal in een bushcamper, het is ietwat kouder en ik word er verscheidene malen wakker van. Reeds 1203 kilometer afgelegd
Rit 9: Zaterdag 27 mei 1995, Hell’s Gate Roadhouse – Burketown, 185 km.
De laatste rit voor de rustdag. Eigenlijk ben ik wat bang voor het vertrek omdat er weer een lange rit te verwerken valt. De eerste dertig kilometer wordt er traag gereden, maar dan komt alles weer op gang nadat Danny in de aanval gaat. Hij kan tot negen minuten uitlopen, maar houdt aan de finish hiervan enkel drie minuten over. Wanneer Rudi, tweede in de totale rangschikking op amper één seconde, lek rijdt vallen Maier en zijn ploegmaten aan. Maier is op veel punten bevoordeeld ten opzichte van Rudi en Danny. Hij heeft verscheidene ploegmaten, wordt dadelijk geholpen als hij lek rijdt, krijgt een nieuwe fiets bij kettingbreuk en slaapt elke nacht in een bed, waar dit alles toch wel te wensen overlaat voor onze twee Belgen. Danny en Rudi slapen meestal in een klein tentje. Rudi verliest zo’n vier minuten als hij lek rijdt en is genoodzaakt op zijn eentje honderd kilometer te achtervolgen. Rudi moet zeer diep gaan, maar zal amper drie minuten prijs geven aan Maier, die hierdoor wel zijn leiderstrui verstevigt. Gelukkig voor Rudi is het morgen een rustdag. Tijdens de dag passeren we een wegwijzer met het opschrift “ CAIRNS 952 KM “. Het geeft ons moed : geen duizend kilometer meer. Weer doorkruisen we ettelijke rivieren, maar met steeds minder water. Enkel nog de grote rivieren, waaronder de Nicholson River, bevatten veel water, wat ons dan ook pleziert daar het een welgekomen verfrissing biedt. Ik word steeds handiger bij het fietsen, en al rijdend smeer ik mijn ketting. Wanneer je 185 kilometers over stenen, door zand en water moet, met daarbij nog hete temperaturen, is de kans groot dat er zich kettingbreuken voordoen bij tempoversnellingen. Tot dusver ben ik gespaard gebleven van pech. Vandaag eindig ik zestiende en win de sprint van een groepje bestaande uit zeven renners. Ons hotel, waar we twee dagen verblijven, ligt vijftien kilometer buiten Burketown. Het is er rustig en men serveert ons lekker eten. Vandaag zeggen we, geen duizend kilometer meer. Reeds 1388 km gedaan. Ik spring in de totale rangschikking drie plaatsen vooruit, zodat ik vierentwintigste kom te staan.
Zondag 28 mei 1995, rustdag.
Deze dag profiteer ik ervan om een beetje bij te schrijven. Na een rit van 185 kilometer of meer heb ik er niet altijd zin in om ‘s avonds nog een verslag te maken. Er zijn dan belangrijker dingen, fiets reinigen, tijd nemen om mezelf te verzorgen, rusten en voldoende bij eten. Na een uitgebreid ontbijt geef ik mijn fiets een grote schoonmaak beurt. In de namiddag brengen we een bezoek aan de Nicholson River om de krokodillen van dichtbij te bekijken, natuurlijk met gids. In totaal zullen we er vijf zien. Eén in het water, in onze richting zwemmend, en vier zonnenbadend aan de oever. Eigenlijk is het niet gemakkelijk deze dieren te ontdekken en de gids legt ons uit waar we moeten op letten. Krokodillen liggen meestal onbeweeglijk stil op een plaats in de zon, hun huidskleur verschilt weinig in kleur van boomstammen. Wanneer we, de meeste Belgen, terug in het hotel aankomen drinken we gezellig een pint en praten wat over de voorbije dagen. Er blijven nog 33 renners in de wedstrijd. Tot mijn spijt moet ik vernemen dat de Belg, Manuel Hellemans, heeft opgegeven. In de vorige etappe ging hij er nog stevig tegenaan. Ik vond trouwens dat hij dagelijks verbeterde. Wellicht is hij de vorige dag iets te diep gegaan.










